Gonadectomie en het risico op tumoren bij hond en kat

Gerard R. Rutteman, specialist veterinaire oncologie, VSC De Wagenrenk

Vroeger was het leven simpel. Het verwijderen van eierstokken (ovariëctomie) verlaagde bij honden de kans op endometritis / pyometra, en ook nog die op suikerziekte. Bij hond en kat kwam er nog bij een inperking van de kans op mamma-tumoren. Althans, indien niet lang na de 2e loopsheid / krolsheid uitgevoerd. Bij de reu en kater kon castratie ‘ongewenst gedrag’ deels wegnemen of voorkomen. Voor al deze dieren waren er weinig nadelen te verwachten, buiten obesitas en vachtverkleuring.

Mij zijn geen studies bekend – met voldoend wetenschappelijk niveau, en van recente datum – die bestrijden dat het risico op baarmoederontstekingen wordt ingeperkt. Ook het risico op suikerziekte (naast acromegalie) bij de teef, dat ontstaat in samenhang met de vorming van groeihormoon in de mamma, – dit onder invloed van progestagenen -, is vooreerst nog niet weersproken.

Maar, er zijn wel veranderde inzichten over de effecten van castratie met betrekking tot de kans op kanker. Al sinds een jaar of tien, is aannemelijk gemaakt dat castratie bij de reu – anders dan voordien gedacht – het risico op prostaatkanker doet toenemen (review in ref. 1). Een verklaring is niet gegeven, maar het zou kunnen zijn, dat ontspoorde cellen – wanneer ontstaan – door goed ontwikkeld, gedifferentieerde prostaatweefsel in de directe nabijheid, meer worden afgeremd in de groei naar werkelijke kankers, dan wanneer het omringende weefsel atrofisch is.

Op voorhand: schrijver van dit stuk is om meerdere redenen (uitgroei fysiek en qua karakter) van mening dat castratie niet moet worden uitgevoerd op heel jonge leeftijd (zeg, voor de puberteit)

De rol van tumor-incidentie: voor alle tumoren geldt, dat een verandering van het risico, zeg met factor 2, minder zwaar weegt bij zeldzame tumoren (met lage incidentie) dan bij veel voorkomende tumoren. Niet wanneer we een individueel dier in aanmerking nemen: foute boel is foute boel; maar wel bij het kijken naar de gehele populatie: “kans op ellende is miniem”. Wel moeten we ons realiseren, dat de epidemiologie van tumoren bij de hond complex is: deze diersoort kent een groot aantal zeer uiteenlopende rassen; per ras kan de basis-incidentie van bepaalde tumortypen ver uiteen lopen. Datzelfde geldt voor de kat, maar deze diersoort kent minder rassen.

Een voorbeeld: voor mij is het histiocytair sarcoom (HS) al ruim 20 jaar deel van onderzoek. Stel dat een factor X het risico zou verdubbelen, dan is dat voor de Engels Cocker Spaniël geen punt van zorg. In 35 jaar heb ik nog geen geval van HS bij de dit ras meegemaakt, dus een verdubbeling is niet iets dat onrustbarend is. Maar, mocht dezelfde factor X bij Berner Sennenhonden het risico verdubbelen, met een basale incidentie op HS van > 1 op 8 tijdens het leven, dan gaat dat in Nederland per jaar om tientallen extra gevallen.
De spaniëls van hun kant, kennen een relatief fors risico op mammatumoren, dus voor die tumor zou een verdubbeling wel zorgelijk zijn.

Hoe lag dat bij het prostaatcarcinoom? De bouvier – niet meer zo veel gezien in Nederland – heeft een aanmerkelijk hoger risico dan ‘de gemiddelde hond’ op deze dodelijke tumorziekte. Mijn advies aan de dierenartsen is, de eigenaars van een bouvier bij een eventuele bespreking van het castreren hierover te informeren.

Terug naar mammatumoren. Bijna 50 jaar geleden kwam een studie uit Californië met de uitslag, dat castratie- mits uitgevoerd voor de eerste loopsheid – het risico op deze tumor bij de teef tot bijna tot nul terug bracht. Indien uitgevoerd voor 2.5 jaar leeftijd, was er minder sterke maar meetbare afname ten opzichte van intacte teven. Bij intacte honden (even voorbijgaand aan ras) ligt dit ‘life-time’ risico op zo’n 30-40%, waarvan plusminus de helft van de patiënten een kwaadaardige tumor ontwikkelt (carcinoom, soms sarcoom). Gebruik van progestativa bij de teef, deed volgens Misdorp en anderen, het risico op benigne mammatumoren met plm 40% toenemen. De ‘prikpil’ leek het risico op kwaadaardige tumoren overigens niet te doen stijgen, boven dat in intacte, cyclische teven (ref 2). Maar ook als dierenarts kun je van buiten vaak niet weten of de bult in de mamma goed- of kwaadaardig is, dus elke toename is ongewenst. De “prikpil”is dan ook terecht in onbruik geraakt.

Bij de poes, was het risico op carcinoom van de mamma met plm. 3-voud gestegen indien de “pil” werd gebruikt. Bij deze diersoort, waren er eveneens voldoende aanwijzingen, om ovariëctomie als beschermend te zien (ref. 2).

Wagenrenk-tumoren-kat

Poes met cysteus mammacarcinoom op 11 jaar. (castratie was uitgevoerd op 4 jarige leeftijd)

Maar er is een kentering. Recent kwam er een Autralische studie (ref. 3) uit, waarbij statistici aantoonden dat – gemeten naar huidige maatstaven – alle eerdere studies over het effect van ovariëctomie op mammatumor-risico bij de hond – tekortkomingen bevatten. Ergo, aldus de auteurs “een dergelijk sparend effect mag niet meer als pertinent bewezen te worden aangenomen, en een diergeneeskundig advies in die richting dient achterwege te blijven”.

Mochten deze onderzoekers gelijk hebben, dan dienen we per direct te stoppen met het geven van elk positief advies teven te castreren met als oogmerk genoemd risico op mammatumoren in te perken. En we dienen een onderzoek te starten bij een cohort van minimaal 2000 teven, met een looptijd van zeker 8 jaar. Wanneer dit onderzoek na die tijd laat zien dat bij vroeg, voor 2,5 jarige leeftijd, gecastreerde dieren er – bijvoorbeeld – 40 een mammatumor vertonen, en in de intacte groep 80 dieren, dan zou alsnog een significant verschil aangetoond zijn. Over alle honden in het hele land berekend, zou het verschil over zo’n periode van 8 jaar, in de richting van 20.000 tumorpatiënten teveel kunnen gaan. Dit met aanname van alles of niets: alle teven worden vroeg gecastreerd of geen één.

Voorlopig handhaaf ik dan ook mijn ‘gemiddelde’ advies om alle pro’s en con’s op een rijtje te zetten, inclusief mogelijk toch optredende remming van het mammatumor-risico.

Verschillen per ras. Maar, dan moeten we een stap verder gaan: hoe komen we tot de invulling van een individueel advies per ras. Daar moet het rasgebonden risico in mee-klinken. De beperkte kans op toename van urine-incontinentie – mogelijk verschillend per ras -, zijn bekend in de praktijk, en worden natuurlijk in Uw advies verdisconteerd. De opdracht is derhalve op dit punt, om per ras het risico op mammatumoren (de basis-incidentie) in kaart te brengen en te vertalen in het advies naar fokker en eigenaar.

Nadelige invloeden van castratie: Dan zijn er de laatste jaren enkele publicaties verschenen die wijzen op andere, negatieve effecten op de gezondheid, toegeschreven aan castratie (M/V) bij enkele rassen. Zo zijn er een paar studies die wijzen op meer kans op osteosarcoom (OSA) bij vroege castratie. Uiteraard kwam dit naar voren bij hoog-risico rassen als de Rottweiler (ref 4).

Wagenrenk-osteosarcoom-tibia

Osteosarcoom tibia bij Leonberger reu van 4 jaar oud.

Ook werd bij Golden Retrievers een toename gezien bij vroeg gecastreerde dieren van het maligne lymfoom (daar lymfosarcoom genoemd) en van mastocytoom. Opmerkelijk was de melding dat in de database met een totaal van 759 Golden Retrievers, er “geen intacte teef was met mastocytoom.” Diezelfde onderzoekers zagen overigens geen toename van het risico op mastocytoom bij de Labrador Retriever (ref 5)

Tijd om een eigen bestaand erop na te slaan. In de laatste jaren (vanaf 2005) heb ik met anderen geprobeerd een verzameling aan te leggen van DNA uit bloed van o.a. Labrador – en Golden Retrievers en Boxers. Over absolute aantallen dieren die (per groep) een tumor ontwikkelen, kan uit dit bestand niets worden opgemaakt (selectie). Maar er kan binnen elke ras voor de groep mét en zónder tumor wel een vergelijking worden gemaakt naar sexe en castratie (J/N).

Hierbij kan dan een vergelijking gemaakt worden van de verdeling van dieren die wel (M*/V*) of niet (M/V) gecastreerd zijn zoals ze rondlopen in ons land (schattenderwijs).

Aantal dieren met mastocytoom
Ras M M* V V*
Labrador Retriever 12 10 8 27
Golden Retriever 16 5 5 12
Boxer 5 8 4

Kijkend naar deze tabel, lijkt mij dat bij Labrador reuen het uitvoeren van castratie (10 dieren tegenover 12 intacte dieren) niet tot een wezenlijke toename van het risico leidt. Bij Golden Retrievers (5 castraten tegenover 16 intacte reuen) nog minder, integendeel. Secundair vraagje: worden Labrador reuen vaker gecastreerd dan Golden retrievers?

Bij teven met een mastocytoom denk ik – gezien de verhoudingen in de algemene praktijk in ons land – dat het aantal van 8 intacte labrador teven tegenover 27 gecastreerde teven wel eens een aardige afspiegeling kan zijn van de praktijk van het castreren. Bij Golden Retrievers met 12 gecastreerde teven tegenover 5 intacte zou het óók goed kunnen dat dit een verhouding is in het land, en dat de tumorgroep er niet anders uit ziet.

Bij boxers zien we 8 gecastreerde reuen tegenover 5 intacte: lijkt me onwaarschijnlijk dat hieruit verhoogd risico door castratie uit valt op te maken. Vier gecastreerde teven tegenover geen intacte teef is te weinig om conclusies te trekken.

Biologische waarschijnlijkheid: Het zou ook wel apart zijn als bij zo nauw verwante dieren als Labrador – en Golden Retrievers een verandering van het risico op mastocytoom door castratie wel bij het éne ras en niet bij het andere zou bestaan. In bovengenoemd Amerikaans onderzoek is hier naar mijn idee onvoldoende aandacht aan besteed.

Laatste nieuws: het DNA-onderzoek naar genen die betrokken zijn bij het onstaan van mastocytoom bij de Golden Retriever kent een doorbraak: de studie uitgevoerd samen met onderzoekers uit Zweden, GB, de USA, en UKG + VSC De Wagenrenk, heeft een aantal genen (betrokken bij hyaluronzuur metabolisme) aangewezen als risico-factor (eerdaags in Plos Genetics)

Dan nog dit, een eerdere studie bij de Golden Retriever door dezelfde groep Amerikaanse onderzoekers , had ook een toename van hemangiosarcoom vastgesteld in samenhang met latere (niet bij vroegere!) castratie (teef), maar in de grotere, meer recentere studie, was dit effect niet meer significant.

Bij genoemde Amerikaanse studie was er bij Labradors geen toename van hemangiosarcoom noch bij reu noch bij de teef. Sowieso was bij de Labrador reu geen toename van kanker over-all te zien na verwijderen van de testikel, en slechts een geringe toename van kanker over-all bij het verwijderen van de eierstokken.

De onderzoekers van bovengenoemde studies (ref 5) stelden slechts zelden een mammacarcinoom vast in zowel de Golden als de Labrador Retriever en konden geen significante effecten aantonen in hun bestand met betrekking tot de invloed van castratie op dit type tumor (castratie teef uitgevoerd voor 1 jaar, 1-2 jaar, 2-8 jaar).

Dan is er nog de mogelijke invloed op blaaskanker (overgangsepitheel-carcinoom) . Al lang is bekend dat teven een wat hoger risico kennen dan reuen. Castratie zou het risico bij zowel teven als reuen kunnen doen toenemen (ref 6.). In die studie werd ras niet specifiek nader onderzocht. Overigens, de groep die dit rapporteerde had al eerder aangetoond dat herbiciden (waarvan het gebruik ook steeds populairder is geworden in Nederland) het risico op blaaskanker deed toenemen (ref. 7) Weliswaar betrof dit herbiciden (phenoxy-groep) die anders zijn dan nu meestal gebruikte middelen. Er ligt evenwel al een rapport van de WHO dat de huidige herbiciden waaronder glyphosphates waarschijnlijk toch ook carcinogeen zijn, ook bij de mens (ref. 8)

Een nog andere studie naar doodsoorzaak en levensduur van honden maakt gebruik van gegevens uit de ‘veterinary teaching hospitals’ in de USA. Deze Veterinary Medical Data Base (VMBD) werd onderzocht naar oorzaken van overlijden tussen 1984-2004, en die oorzaken werden geanalyseerd in het licht van achtergronden zoals wel/geen castratie. Bruikbare gegevens konden worden verwerkt van ruim 40.000 dieren. Ook in deze studie werd bij
dieren met eerdere castratie een toename vastgesteld van over-
gansepitheelcarcinoom, maar die omvatte naast urethra en blaas ook prostaat. Wat ontbrak was een analyse van de leeftijd van castratie (ref 9). Verder werd in deze studie ook het optreden van een neoplasie ‘overall’ vaker gezien na castratie, maar mammatumoren als doodsoorzaak kwamen daarentegen wel (!) weer minder voor.

Castratie en gewrichtsproblemen. Een andere factor die onder invloed leek te staan van vroege castratie (ref 6) was het optreden van gewrichtsziekten (HD, VKL, ED). Voor deze beide Retriever rassen was de kans op dergelijk probleem duidelijk toegenomen bij vroege castratie, bij reu en teef, in sterker mate bij de Golden dan bij de Labrador Retriever (ref 5).

Castratie en de huid. Verkleuringen van de vacht bij de hond (m.n. donkere vacht naar lichter) wordt wel als hinder genoemd volgend op castratie. Er zijn mij geen kwantitatieve gegevens bekend. Bij ovariectomie pre-pubertaal, zou vulvaplooi dermatitis (door slechte uitgroei) vaker gezien worden bij de teef. De zogenaamde endocriene alopecia bij hond én kat met herstel na toediening van lage dosis sex steroiden, is niet geheel weg te cijferen, is suggestief voor invloed van castratie, maar zal een gering aantal betreffen (ref 10).

Levensverwachting (life-span). Vrij goed gedocumenteerde epidemiologische studies in het Verenigd Koninkrijk (samengevat in ref. 1) hebben daarentegen een positieve invloed van castratie op de levensverwachting. Zonder aandacht voor specifieke doodsoorzaken, was de levensverwachting bij de teef, maar niet bij de reu, na castratie enigszins langer als alle doodsoorzaken werden bekeken. Wanneer werd gelet op een natuurlijke dood dan leefden intacte reuen en teven ietsje langer, maar het verschil was niet significant. In dat laatste getal komen dus niet de dieren voor die op drift raken door hun geslachtshormonen en in het verkeer omkomen, enzovoort. In de eerdere genoemde VMDB-studie, was de levensverwachting na castratie bij de reu (toename 13.8%) en teef (toename 26.3%) aanzienlijk hoger . Wel, zoals gezegd, met een verschuiving: afname van dood door “infecties, trauma, vasculaire ziekte en degeneratieve aandoeningen” tegenover een toename van dood door neoplasie (ref . 9).

Conclusie: de conclusie is dat in de laatste jaren een hoop zekerheden minder zeker zijn geworden, en enkele voordien onbekende nadelen zichtbaar zijn geworden. Op de levensverwachting is geen groot nadelig effect te zien van castratie, eerder het tegendeel!

Voorlopig zou mijn goede raad aan eigenaars van een Golden- of Labrador retriever zijn: “weghalen van testikels of eierstokken, met name indien uitgevoerd voor een leeftijd van plm 2 jaar, zal de hinder van gedrag samenhangend met de aanwezigheid van testosteron bij de reu doen verminderen. De teef zal niet ongewenst drachtig worden, en ook geen endometritis meer ontwikkelen, in minder kans lopen op suikerziekte. MAAR, er is de kans dat gewrichtsproblemen meer gaan voorkomen, en de kans op – een toch al wat vaker optredende tumor als maligne lymfoom – zou ook wel enigszins kunnen toenemen”. Voor de Golden- en Labrador Retriever zal inperking van het risico op mammatumoren wat minder zwaar wegen.

De eigenaar van een Engels Springer spaniel (hoog-risico op mammacarcinoom) krijgt een anders geformuleerd advies. En bij Deense Dog (OSA), Ierse Wolfshond (OSA), Rottweiler (OSA, maligne lymfoom) zouden er nog weer andere afwegingen gemaakt worden.

Overigens, het regelmatig inplanteren met een LH-RH antagonist, zou wel eens vergelijkbare consequenties kunnen hebben als een chirurgische castratie , maar is nog niet specifiek onderzocht.

Simpel, neen, dat is het niet. Boeiend, dat zeker, en uitdagend in het communicatieve vlak. Belangrijk is, te blijven bedenken dat voorkomen van zwangerschap van ultiem belang is, met name bij zwerfdieren en dieren die zwerven (…)

Referenties

(1) Smith AN, Vet Clin Small Anim 2014
(2) Rutteman et al In Vivo 4, 1990: 33-40
(3) Beauvais W et al, J Small Anim Pract 53, 2012, p 314-322)
(4) Cooley DM et al, Cancer Epidemiol, Biomarkers, Prevent 11, 2002: 1434-1440
(5) Hart BL et al, PLOS-One 9, 2014, e102241, 1-10
(6) Mutsaers AJ et al, J Vet Intern Med 17, 2003: 136-144
(7) Glickman et al, J Am Vet Med Assoc 24, 2004: 1290-1297
(8) Cressey D, http://www.nature.com/news/widely-used-herbicide-linked-to-cancer-1.17181
(9) Hoffman JM et al, Plos One 8, 2013: e61082, 1-7
(10) Nagakura AR et al, Iowa State Univ Veterinarian 54,

1992: 34-36.

© G.R. Rutteman. Publicatie van geheel of delen van deze tekst is niet toegestaan in welk medium ook, behoudens na het geven van toestemming door de auteur.