Castratie en het risico op urine incontinentie

Castratie en het risico op urine incontinentie tegenover het risico op mamatumoren en een pyometra

Drs. M.D. Zaal, specialist chirurgie gezelschapsdieren

Verschillende onderzoeken laten zien dat urine incontinentie na castratie een wezenlijk probleem is. De percentages hierin wisselen per onderzoek van 10% (Okkens 1997) tot 20 % (Arnold 1989). Het moment van optreden varieert daarbij van direct na operatie tot 12 jaar na castratie, met een gemiddelde van 2.9 jaar. Toch blijkt dat in veel gevallen dit risico niet wordt meegenomen in de besluitvorming tot castratie terwijl het risico op mamatumoren en een pyometra bij een intacte teef wel vaak wordt genoemd. Uiteindelijk zal de eigenaar zelf het besluit moeten nemen en daarvoor voldoende moeten worden geïnformeerd. Toch valt dat niet altijd mee als je alle feiten op een rijtje zet.

Tumoren in de mammae zijn de meest voorkomende tumoren bij een teef en daarom een bekend probleem. De meeste tumoren worden geconstateerd op een leeftijd tussen de 6 en 13 jaar oud. Ongeveer 30 tot 40 % van de honden met mammatumoren blijken maligne (kwaadaardige) tumoren te ontwikkelen. Het risico op mamatumoren wordt aanzienlijk gereduceerd naar 0.7 % wanneer de hond al voor de eerste loopsheid wordt gecastreerd terwijl dit risico op loopt tot 24% na de tweede loopsheid.

Terecht wordt ook voor een pyometra gevreesd bij een intacte teef. De incidentie hiervan varieert ook weer per onderzoek. Van 2% in een Zweeds onderzoek bij verzekerde honden tot 10jaar (Egenvall 2001) tot 15.2% bij een groep Beagles > 4 jaar (Fakuda 2001). Het voorkomen van dan wel een pyometra dan wel mamatumoren bij honden tot 10 jaar is hoog. Uit een combinatie onderzoek hiernaar onder 110 rassen bleek dit >50% te zijn voor meer dan 20 verschillende rassen (Jitpean 2012). Selectieve castratie heeft dus zeker een positief effect op de gezondheid van de hond. Het risico op tumoren uitgaande van het genitaal apparaat, progestageen geïnduceerde diabetes Type 2 en een overmatige productie van groeihormoon wordt ook gereduceerd door castratie. De ras gebonden negatieve effecten van de castratie moeten echter ook worden genoemd.

Er zijn een aantal factoren die predisponeren voor urine incontinentie na castratie die daarbij moeten worden mee-genomen. Dit zijn het ras, de aanwezigheid van een pelvic bladder, het gewicht van de hond, en o.a. de aanwezigheid van adipositas. Daarbij kunnen er op jonge leeftijd al signalen zijn die wijzen op een verminderde sfincterfunctie (sfincter mechanisme incompetentie, SMI). Op grond van deze punten kan de eigenaar extra gewezen worden op een verhoogd risico op dit negatieve effect van castratie.

Voor wat betreft het ras blijkt uit aantal onderzoeken dat o.a. de Boxer, de Ierse setter, de rottweiler, de Dobermann, de Bobtail, en de Weimaraner gepredisponeerd zijn om SMI te ontwikkelen na castratie. Verder werd een verhoogd risico gevonden bij honden > 20kg, namelijk 30,9%, terwijl dit voor honden < 20kg daalt naar 9,3%.

Men spreekt van een pelvic bladder wanneer de blaashals binnen het bekken is gelegen. Uit diverse onderzoeken blijkt dat veel honden met SMI een pelvic bladder hebben. Door de caudale blaasligging in het bekken ontstaat er een nadelige drukverdeling op de blaas. Daarbij hebben honden met een pelvic bladder een kortere urethra wat mogelijk ook meespeelt bij de SMI. Door middel van een buikpalpatie en of echo kan de positie van de blaas goed worden bepaald.

Zoals bekend vergroot castratie de kans op adipositas. Hierdoor wordt door ophoping van retroperitoneaal- en pelvic vet het caudale peritoneum naar craniaal verplaatst waardoor abdominale druk alleen nog maar compressie geeft op de blaas en niet meer op de blaashals en de proximale urethra. Bij een verminderde sfincterfunctie is het risico op passief urine verlies hierdoor groter.

De grootste terughoudendheid wat betreft castratie is geboden bij honden die voor hun pubertijd (reu en teef) al passief urine verlies laten zien en of waarbij sprake is van een bacteriële cystitis. Bij deze dieren kan een aangeboren SMI de oorzaak van de problemen zijn. Bij die patiënten is het ook daarom belangrijk de juiste diagnose als oorzaak van de klachten te stellen en b.v. een ectopische ureter of een persisterende urachus als oorzaak van de klachten uit te sluiten. Verraderlijk is dat veel honden met een aangeboren SMI na de eerste loopsheid uit de cirkel van problemen komen. Wanneer deze honden dan toch worden gecastreerd is de kans aanzienlijk dat de klachten in meer of mindere mate terug komen.

Uiteindelijk moet de eigenaar zelf de keus maken op basis van de informatie die u hem of haar geeft. Door alle voorgaande factoren in ogenschouw te nemen kunnen in veel gevallen voorziene urinewegproblemen na castratie worden voorkomen.