Oogheelkunde



Oogheelkunde


Dr. F.C. Stades
Dierenarts, specialist oogheelkunde
Diplomate European College of Veterinary Ophthalmologists (ECVO)

 




Drs. R.R.O.M. van de Sandt
Dierenarts, specialist oogheelkunde

 

Inhoudsopgave (bij aanklikken van de nummers krijgt u uitleg)

1.

Bouw van het oog

2.

Oogafwijkingen

3.

Erfelijke oogafwijkingen

4.

Hoe komen we te weten of een pup of kitten, een hond of kat een erfelijke oogafwijking heeft?

5.

Hoe gaat het onderzoek op erfelijke oogafwijkingen?

6.

Wat is de betekenis van de uitslagen

7.1.

Keratoconjunctivitis sicca -"droog oog"

7.2.

Entropion -naar binnen rollend ooglid

7.3.

Ectropion -naar buiten krullen van het ooglid/te ruime oogspleet

7.4.

Trichiasis -irritatie door eigen haargroei

7.5.

Distichiasis -haren op ooglidrand)

7.6.

Glaucoom of groene staar -hoge oogdruk)

7.7.

Membrana pupillaris persistens -MPP; bloedvatrestjes van voor de geboorte

7.8.

Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV)

7.9.

Cataract of grauwe staar -abnormale troebeling van de lens

7.10.

Lensluxatie -lens loslating

7.11.

Collie eye anomaly -CEA

7.12.

Retina (netvlies) degeneratie of Progressieve Retina Atrofie of PRA

foto's

Tijdelijk: foto's

 




Bouw van het oog
Voor een optimaal begrip van de oogafwijkingen is het goed de bouw en het functioneren van het oog in het kort te bespreken.
De kwetsbare oogbollen worden beschermd door de rondom de oogbol liggende weefsels. In de eerste plaats is er de stevige, uit bot bestaande, oogkas; verder zijn er de zachte weefsels in en rond de oogkas en de oogleden. De randen van de boven- en onderoogleden moeten goed aansluiten aan de oogbol; de ooglidrand hoort dus niet naar binnen (entropion) of naar buiten (ectropion) om te krullen en de oogspleet hoort qua lengte goed te passen bij de grootte van de oogbol. Bij het geopende oog mag het oogwit dan ook niet of nauwelijks zichtbaar zijn. De randen van de oogleden behoren onbehaard, glad en vrijwel zwart gepigmenteerd te zijn. Honden (en katten) hebben dus geen wimpers, geplaatst zoals bij de mens. Op het buitendeel van de bovenooglidrand zitten wel wimperachtige haren, maar zij zijn circa 1 mm buiten de rand geïmplanteerd.
Bij de meeste diersoorten bestaat een "derde ooglid". Dit is een uitgroeisel van het bindvlies, dat vanuit de binnenooghoek over het oog klapt, als de oogbol in de oogkas wordt getrokken. Het derde ooglid heeft, evenals het boven- en onderooglid, een zeer belangrijke beschermende functie en het bevat een traanklier die ongeveer 30% van de totale traanproductie verzorgt. Het verwijderen van het derde ooglid is dan ook ten sterkste af te raden! De traanklieren produceren het traanvocht. Hierdoor worden het hoornvlies en de bindvliezen glad gehouden en beschermd tegen uitdroging en infecties. De wand van de oogbol zelf bestaat uit het "oogwit", de harde oogrok of sclera. Aan de voorzijde bevindt zich hierin een doorzichtig deel, het hoornvlies (cornea). Dit kan worden beschouwd als het venster, waardoor licht de bol kan binnenkomen. Aan de achterkant van het oog bevindt zich in de harde oogrok een opening, waardoor de oogzenuw het oog binnenkomt. In het oog zijn van voor naar achter de volgende structuren aanwezig:
Direct achter het hoornvlies ligt de met kamerwater gevulde voorste oogkamer. Het kamerwater houdt de oogbol op de juiste spanning (16-20 mm kwik, dat wil zeggen ongeveer zo hard als een zachte fietsband). Het kamerwater wordt doorlopend nieuw aangemaakt en dus ook weer afgevoerd uit de oogbol. Het geproduceerde "water" gaat via de pupil naar de hoek tussen de binnenzijde van het hoornvlies en de voorzijde van het regenboogvlies. Daar wordt het afgevoerd via de drainagehoek, die is te vergelijken met een zeef naar het bloedvaatstelsel.
De achterzijde van de voorste oogkamer wordt begrensd door het regenboogvlies (iris). Deze is bij de hond meestal bruin van kleur. Bij uitzondering bevindt zich in het voorste deel van de iris geen pigment, waardoor de deze dan (deels) wit is en de pupil soms rood kan oplichten. Een dergelijk oog wordt ook wel maanoog genoemd; deze komen vrij vaak voor bij dieren met een "blue merle" aftekening. Centraal in de iris is een opening aanwezig, de pupil. Door spiertjes in de iris kan de pupil kleiner en groter worden. In fel licht behoort de pupilopening klein te worden en te blijven en bij duisternis groot. Achter pupil en iris bevindt zich de lens, waarmee het binnenkomende beeld wordt scherpgesteld op het netvlies. De lens behoort daarom helder te zijn. De normale lens kent echter wel een verouderingsproces, waarbij vanaf circa 6-jarige leeftijd een grauwe waas (sclerose) in het centrale deel optreedt. Dit is normaal en veroorzaakt géén blindheid. (Abnormale troebelingen van de lens komen veel voor en worden cataract of grauwe staar genoemd).
Achter de lens wordt het oog opgevuld door glasvocht (vitreum), dat uit een geleiachtige substantie bestaat. De achterzijde van het oog is aan de binnenkant bekleed met een tweetal vliezige lagen, namelijk het netvlies of retina en daarachter het zeer donker gepigmenteerde vaatvlies of choroidea. Het netvlies bestaat uit een dunne, doorzichtige laag zenuwweefsel, waarop het beeld door de lens wordt scherpgesteld. Als het licht op de retina valt wordt een deel van dit licht opgenomen, de rest gaat er doorheen en wordt uitgedoofd in het gepigmenteerde deel van het vaatvlies, behalve in het bovenste centrale deel hiervan. Daar bevindt zich een geelgroene reflectorlaag, die het licht terugkaatst, zodat het een tweede keer op het netvlies valt. Door deze reflectorlaag ontstaat het oplichten van de honden of kattenogen als er 's avonds licht van de autolampen op valt. Als de pigmenten in het vaatvlies ontbreken valt het licht direct op de vaten van het vaatvlies. Dit licht hierdoor rood op. Dit veroorzaakt de rode pupil bij een maanoog. Het vaatvlies dient verder voor de voeding en afvoer van afbraakproducten van de lichtgevoelige cellen van het netvlies.
In het netvlies liggen twee soorten lichtgevoelige cellen, namelijk de staafjes en kegeltjes, die het er opvallende licht registreren. De staafjes staan "aangeschakeld" bij weinig licht (schemerdonker); door de staafjes kan alleen een zwart/wit beeld worden geleverd. Zij zijn bij de hond veruit in de meerderheid. De kegeltjes doen hun werk in situaties met veel licht. Door de kegeltjes is het kleuren zien mogelijk. Ook de netvliezen bij de hond bevatten kegeltjes; het vermogen tot kleuren zien lijkt bij de hond echter een minder belangrijke rol te spelen. De door de staafjes en kegeltjes ontvangen lichtprikkels komen via zenuwvezeltjes terecht bij de "blinde vlek"; hier worden alle zenuwvezels vanuit het netvlies gebundeld tot de oogzenuw. Via deze zenuw worden de signalen naar de hersenschors geleid, waar alle afzonderlijke prikkels tot een beeld worden samengevoegd; zo komt het eigenlijke "zien" tot stand.


terug naar inhoudsopgave

 

Onze hond is blind
Het komt voor dat een hond blind is of wordt door een oogziekte of een verwonding. Het is goed om zich af te vragen wat dit voor de hond betekent. Het oog is voor de hond gelukkig een minder belangrijk zintuig. De hond leeft in een wereld van geuren en geluiden en van voelen. De ogen geven slechts aanvullende informatie en zijn veel minder goed dan die van de mens. Aangeboren blindheid, of op heel jeugdige leeftijd verkregen (nacht)blindheid wordt bij een jonge, opgroeiende hond vaak pas in een zeer laat stadium ontdekt, omdat de hond de handicap zo goed weet te camoufleren. De hond weet niet beter. De jonge hond dolt rond en stoot zich misschien iets vaker. Soms valt alleen op dat de pup de anderen meer volgt en zelden het initiatief neemt. Ook oudere dieren passen zich ongelofelijk goed aan. Sommige dieren blaffen 's avonds wat sneller of zijn wat angstiger. Zelfs als de hond geheel blind is, zal hij het meubilair in huis prima blijven ontwijken en enthousiast blijven spelen. Ook met de bal en met de stok. Als ze maar geleidelijk aan blind worden. Totdat de meubels worden verplaatst, de stofzuiger ergens op een onverwachte plek blijft staan of de hond in een nieuwe omgeving komt. Dan valt de blindheid pas op. Wordt de hond plots blind dan kost het wat meer moeite en valt het aanpassingsproces meestal wel op. Als de hond voor de jacht, of de training moet worden gebruikt zal de hond met ernstige oogafwijkingen zich af en toe stoten of verkeerd springen of er naast grijpen. Dan is er natuurlijk wèl een probleem om dat werk te kunnen blijven doen. Als huishond is dat probleem er vrijwel niet. Natuurlijk moet de hond in het verkeer aan de lijn blijven. In het bos of veld of bij zwemmen in open water moet de hond binnen gezichtsafstand blijven. In huis is het beter de mand niet ergens in een hoek te zetten, maar zó te plaatsen, dat de hond bij wakker schrikken weet, dat hij achteruit weg kan; hij mag niet het gevoel krijgen in een hoek of onder een tafel te worden gedrongen zonder weg te kunnen. Dat wil zeggen dat men vooral voorzichtig dient te zijn als er kleine kinderen in de buurt zijn. Als zij bij het spelen de hond laten schrikken, kan de hond zich bedreigd voelen en uit angst bijten. Maar op zich is blindheid bij een hond geen enkele reden voor euthanasie.


terug naar inhoudsopgave




Oogafwijkingen
Oogziekten vormen een aanzienlijk deel van het aantal ziektegevallen dat wordt aangeboden in de gezelschapsdierenpraktijk. Oogafwijkingen kunnen worden ingedeeld in aangeboren (en vaak erfelijke) en verkregen oogafwijkingen.
Bij verkregen afwijkingen moet worden gedacht aan oorzaken zoals ongevallen en tekortkomingen. Een grote groep oogproblemen komt voor bij hondenrassen met een overmaat aan huidplooien op de neus en het voorhoofd, met afwijkend gericht staande haren of met slecht aansluitende oogleden. Deze afwijkingen veroorzaken problemen, variërend van ongerief en irritatie voor het dier, tot direct aanwijsbare schade of soms zelfs tot verlies van het oog (Onze hond is blind). Hierbij moet vooral worden gedacht aan familiale en erfelijke oogafwijkingen.
Daarnaast wordt een grote groep oogafwijkingen veroorzaakt door ontstekingen, waaronder infectieziekten. Helaas komen bij de gezelschapsdieren ook vaak degeneratieve (“verval/aftakeling”) processen, auto-immune (afweer tegen het eigen lichaam”) en neoplastische (tumoren/gezwellen) ziekten voor.

 

terug naar inhoudsopgave




Erfelijke oogafwijkingen
Erfelijke oogafwijkingen komen bij alle diersoorten regelmatig voor, in het bijzonder bij de hond. Kennis van specifieke afwijkingen en van rassen die familiaire of erfelijke oogafwijkingen hebben is daarom belangrijk.
Een groot deel van de erfelijke oogafwijkingen bestaat uit zelden voorkomende ziekten, die vaak alleen bij enkele specifieke rassen worden gezien. Een ander deel van de erfelijke afwijkingen komt bij vrijwel alle rassen voor en geeft bij sommige rassen veel en bij andere weinig problemen. Dit afhankelijk van de verspreiding van de ziekte binnen het ras, het soort afwijking en de mate waarin, al of niet gewild, tegen of soms zelfs vóór een afwijking is geselecteerd.

 

terug naar inhoudsopgave




Hoe komen we te weten of een pup of kitten, een hond of kat een erfelijke oogafwijking heeft?
Indien u een (fok)hond/kat of een nest pups/kittens heeft, kunt u deze laten controleren bij één van de dierenartsen van de oogpanels die werken onder de European College of Veterinary Ophthalmologists. In Nederland gebeurt dit in samenwerking met de Sectie Oogheelkunde van de afdeling Gezondheid, Gedrag en Welzijn van de Raad van Beheer te Amsterdam (020.6794462). Deze dierenartsen werken regionaal verdeeld over Nederland; U kunt momenteel op 14 plaatsen in Nederland terecht (na telefonische afspraak): de naam-, en adressen lijst vindt u onder:

 

terug naar inhoudsopgave



Hoe gaat het onderzoek op erfelijke oogafwijkingen?
U wordt verzocht een kopie van de stamboom op te sturen en voor de zekerheid ook een kopie mee te nemen (ingeval van verlate post of onduidelijk fax).
Komt u met een nest pups dan graag het stamboomformulier en een setje "chipstripjes" meenemen.
De eigenaar ondertekent op het onderzoeksformulier de verklaring dat het aangegeven hond het desbetreffende dier is, wat de eventuele voorgaande uitslag was en dat de gegevens openbaar mogen worden gemaakt en naar de rasvereniging mogen worden doorgestuurd. De uitslagen worden door Raad echter alleen naar de desbetreffende rasvereniging doorgestuurd, indien de ledenvergadering van de rasvereniging daarvoor toestemming heeft verleend.
Voor het onderzoek worden de ogen ingedruppeld met een pupilverwijdend middel en 15-30 minuten daarna onderzocht (NB! voor MPP-, of L. pectinatum abnormaliteit (goniodysplasie) onderzoek mag de hond pas na het eerste deel van het onderzoek worden gedruppeld). De pupillen blijven nog enkele uren verwijd. Het dier kan daardoor enkele uren nog wat last hebben van fel zonlicht. Pups krijgen een sterkere druppel om de pupil te verwijden en moeten minstens 20 tot 30 minuten voor het onderzoek worden ingedruppeld.

 

Ze kunnen er wat van speekselen en zich wat misselijk voelen. Zij kunnen dan ook beter al ongeveer één uur voor de autorit worden ingedruppeld.
In verband met infectiegevaar is het aan te raden de pups, tijdens het bezoek, zo min mogelijk in contact te laten komen met de omgeving. Zij kunnen het beste worden vervoerd in bijvoorbeeld een reiskooi of doos.
Nestcontroles op MPP, PHTVL/PHPV, RD, congenitaal cataract of CEA worden in het algemeen zo kort mogelijk na het chippen uitgevoerd. De voorlopige uitslagen hiervan worden vermeld op een ECVO-pup-formulier in de categorieën: "vrij", "onbeslist", "voorlopig niet vrij" of "niet vrij".
Van de oudere dieren krijgt u een kopie van het individuele ECVO-RAPPORT OOGONDERZOEK- formulier mee, met daarop de onderzoeksresultaten.


terug naar inhoudsopgave




Wat is de betekenis van de uitslagen

VRIJ
Dit betekent dat het dier momenteel geen verschijnselen van deze (progressieve) ziekte vertoont. Dit wil niet zeggen dat de hond geen drager is van de afwijking! De verklaring is slechts 12 maanden geldig. Rasverenigingen schrijven meestal voor progressieve ziekten, zoals bijvoorbeeld cataract en retinadegeneratie (PRA), voor tot op welke leeftijd dit onderzoek nodig is.

ONBESLIST
Het dier vertoont zeer geringe afwijkingen, die mogelijk passen bij het klinische beeld van de erfelijke oogziekte; deze zijn echter onvoldoende specifiek, de uitslag is dus onbeslist (bijvoorbeeld bij PHTVL, CEA, RD).

VOORLOPIG NIET VRIJ
Het dier vertoont geringe afwijkingen passend in het klinisch beeld van de erfelijke oogziekte, maar het is nog niet duidelijk of het dier de ziekte ook werkelijk heeft. Voortschrijden van het proces moet dit bevestigen of ontkennen. De meeste rasverenigingen willen dat met zo'n dier voorlopig niet wordt gefokt. Het is van groot belang dat dergelijke patiënten na 6-12 maanden opnieuw worden gecontroleerd. Dit omdat dan duidelijk wordt of het dier zelf de afwijking al of niet heeft, maar daarmee ook of de ouderdieren al of niet drager zijn!

NIET VRIJ
Het dier vertoont de klinische symptomen van de erfelijke oogziekte. Voor eventuele fokmaatregelen dient men zich te wenden tot de desbetreffende rasvereniging.

 

Wat gebeurt er met de uitslagen?
De laatste, witte kopie is voor U zelf. De blauwe kopie is voor de eigen dierenarts. De andere kopieën worden opgestuurd naar de afdeling GGW van de Raad van Beheer of bij katten, indien gewenst naar de Stichting Felissana. Daar worden zij verwerkt en opgeslagen. Daar het lang kan duren voordat de lijst met de gegevens van de hond door de Raad van Beheer worden doorgestuurd naar de desbetreffende vereniging, valt het aan te bevelen direct zelf een kopie (eventueel de blauwe) op te sturen naar de verenging. Als u de hond op een verenigingsdag laat onderzoeken, wordt het gele uitslag formulier direct aan de desbetreffende rasvereniging afgegeven.


terug naar inhoudsopgave



Keratoconjunctivitis sicca (KCS of “droog oog”) en de instructie voor de behandeling.

Wat is KCS?
KCS is een verkregen of in sommige gevallen mogelijk erfelijke oogafwijking, waarbij de traanklieren niet meer goed functioneren en het oog of beide ogen, bij wijze van spreken “drooglopen”.

Wat is de oorzaak?
KCS is meestal een verkregen oogafwijking, bijvoorbeeld ten gevolge van een infectie. In sommige gevallen heeft het mogelijk een erfelijke oorzaak.

Wat zijn de verschijnselen?
De traanklieren produceren geen - of te weinig - traanvocht, waardoor het oog niet voldoende vochtig wordt gehouden. Stofdeeltjes en bacteriën, die normaal door het traanvocht worden afgevoerd, geven nu een chronische irritatie van de bindvliezen en het hoornvlies. De bindvliezen worden hierdoor rood en het hoornvlies kan grijsblauw en later gepigmenteerd worden.




terug naar inhoudsopgave

 

Wat is er aan te doen?
De behandeling is erop gericht door middel van druppels, die via de bek worden ingegeven, en door middel van een zalf of druppel op het oog de traanklieren aan te zetten tot het produceren van voldoende traanvocht. Daarnaast wordt het oog regelmatig gereinigd en glad en vochtig gehouden en wordt infectie zoveel mogelijk tegen gegaan.
Als algemene regel geldt, dat eerst de waterige druppel wordt aangebracht om pus en slijm op te lossen (acetylcysteïne); daarna wordt het oog gespoeld met een handwarme oogspoelvloeistof (fysiologische zoutoplossing) en vervolgens de huid rond het oog afgedroogd. Vervolgens worden de medicamenten na elkaar, met circa 5 minuten tussentijd (klein beetje van elk!) op het oog aangebracht.
Druppels en zalf dient U toe met de hand gesteund op de kop van het dier, terwijl de neus goed omhoog wordt gehouden, waarbij de patiënt dus naar boven kijkt. De tuit van flesje of tube (niet bezoedelen) houdt U minstens enkele centimeters boven de oogbol, zonder de haren aan te raken. Daarna laat U een druppel of een beetje zalf op de oogbol vallen. De volgorde van behandeling is:
• Acetylcysteïne: 1 druppel (om pus en slijm in de bindvlieszak op te lossen).
• Spoelen met handwarme, steriele fysiologische zoutoplossing (om het oog schoon te spoelen) en daarna de huid rond de ogen afdrogen.
• Antibiotische oogzalf met vitamine A (gaat infectie tegen, bijvoorbeeld CAF® of Fucithalmic®).
• Ontstekingsremmende oogzalf (hydrocortison, onderdrukt de zwelling).
Dit doet U viermaal daags. Tussen de vier behandelingen door kunt U, indien nodig, vele malen daags kunsttranen op het desbetreffende oog aanbrengen. Om de eigen traanproductie van de patiënt te stimuleren wordt gebruik gemaakt van de geneesmiddelen ciclosporine en/of pilocarpine:
• Ciclosporine oogzalf (0,2 %; Optimmune-canis®) of oogdruppels (2 %) om de traanproductie te verhogen. Deze dient U 2 x daags toe, bij voorkeur op beide ogen, ook wanneer alleen één oog de verschijnselen vertoont.
• Pilocarpine (0,5 / 1 / 2 %) druppels geeft U drie- tot vier maal per dag in, liefst op een stukje worst of een koekje, want de pilocarpine druppels zijn bitter. Omdat pilocarpine bij overmaat giftig is, begint U met een lage dosering. Als na circa 3 dagen geen bijwerkingen van de druppels worden gezien kunt u de dosis verhogen met 1 tot 4 druppels per dag, afhankelijk van de grootte en het gewicht van de hond. Zodra de patiënt na de druppels een verminderde eetlust vertoont, niet meer wil eten, braakt of dunne ontlasting krijgt, stopt U de pilocarpine-behandeling 1 of 2 dagen. Daarna wordt er weer mee gestart, maar verlaagt U het aantal druppels per dag met één of twee. Het is uiteindelijk dus de bedoeling dat u de dosering waarop de patiënt het goed doet en de traanklier maximaal wordt gestimuleerd, zelf vindt.

Controle
Als U met uw hond of kat voor controle komt, dient u die ochtend het oog / de ogen niet te behandelen, maar wel de pilocarpine druppels in te geven.




Entropion (naar binnen rollend ooglid)

Wat is entropion?
Onder entropion wordt verstaan het naar binnen krullen van de ooglidrand. Het entropion kan het gehele onderooglid, delen daarvan, alleen de binnenooghoek (b.v. bij de Pekingees), maar ook het bovenooglid betreffen.

Wat zijn de verschijnselen?
Door de naar binnen gekrulde ooglidrand (entropion) komen de haren, die buiten op het ooglid staan, tegen het hoornvlies aan en irriteren de oogbol daardoor ernstig. Doordat die haren steeds over het hoornvlies heen en weer "raspen" zal dit, na kortere of langere tijd, worden beschadigd en zal een ontsteking optreden (blauw worden van het hoornvlies). De patiënt heeft veel last van het oog. Dit is herkenbaar aan veel knipperen, dichtknijpen van de oogleden, heftig tranen en lichtschuwheid.
Als een dergelijke situatie voortduurt kan het hoornvlies uiteindelijk geheel ondoorzichtig worden en kan de patiënt met dat oog dus niet meer zien. Er kan ook een hoornvlieszweer optreden. Het hoornvlies kan zelfs zodanig worden beschadigd, dat de zweer doorbreekt. Ook dit leidt in de meeste gevallen tot blindheid.

Wat is er aan te doen?
Indien de situatie dit toelaat, kan de operatie worden uitgesteld tot op een leeftijd van één tot anderhalf jaar, wanneer het hoofd volledig is uitgegroeid.
De operatie moet zeer nauwkeurig worden uitgevoerd door een dierenarts die daarin ervaren is. Dit omdat de ooglidrand na de operatie anders bijvoorbeeld weer te veel naar buiten draait. De vooruitzichten zijn over het algemeen gunstig. Als de ooglidrand geheel naar de oogbol ligt toegedraaid, zal er in het algemeen direct moeten worden geopereerd. Zelfs bij pups. Dit om blijvende schade aan het hoornvlies te voorkomen. Soms is alsnog een latere correctie, nadat het hoofd is volgroeid, noodzakelijk. Voor het binnenooghoek- en het bovenooglid entropion bestaan specifieke, meer ingewikkelde operatiemethoden. De nabehandeling bestaat uit een antibiotische oogzalf en bij hoornvlies defecten ook een pupilverwijdende (atropine) oogzalf. Een kraag is, indien er nauwkeurig is gehecht, niet nodig.
Wanneer het entropion niet ernstig is kan het hoornvlies tot het moment van operatie, voorlopig worden beschermd met vit.-A oogdruppels of oogzalf.

 




Wat is de oorzaak?
In de meeste gevallen is entropion het gevolg van een polygeen overervend, defect. In het reglement van de Raad van Beheer op Kynologisch gebied in Nederland is vastgelegd (art 262), dat een entropion per definitie erfelijk is.

Hoe kan het worden voorkomen?
Lijders aan deze aandoening dienen van de fokkerij te worden uitgesloten. Ook het fokken met ouders en nestgenoten van lijders aan entropion, zeker indien deze gekruist zouden worden met dieren uit een entropion vrije lijn, valt te ontraden. Het bij de fokkerij streven naar een kleine oogspleet kan de afwijking in de hand werken.



terug naar inhoudsopgave






Ectropion (naar buiten krullen van het ooglid/te ruime oogspleet)

Wat is ectropion/ te ruime oogspleet?
Onder ectropion wordt verstaan het naar buiten krullen van (delen van) de onderooglidrand. Men kijkt daarbij dus op het gepigmenteerde randje van het ooglid en deels ook tegen het bindvlies dat de binnenkant van het ooglid bekleedt. Van een te ruime oogspleet wordt gesproken indien de oogspleet duidelijk ruimer is dan noodzakelijk om (bij geopend oog) het oogwit te bedekken. Daar het vaak nauwelijks mogelijk is beide afwijkingen goed van elkaar te onderscheiden, worden zij hier als één afwijking: ECT/TROS behandeld.

Wat zijn de verschijnselen?
De onderooglidrand hangt af en de oogspleet is soms ruitvormig. De afwijking gaat vaak samen met een veel te ruime kophuid en zeer zware, laag aangezette oren. De bindvliezen vertonen ontstekingsverschijnselen, zoals roodheid, zwelling en geplooidheid en er is traanvloed, extra slijm (wit/grijs) en evt. pusproductie (geel/groen). De oogbol wordt iets teruggetrokken in de oogkas, waardoor de oogbol nog verder van de lidrand af komt te liggen. Vooral in rust zijn de afwijkingen duidelijk zichtbaar. Bij verhoogde activiteit (b.v. op tentoonstelling, op de behandeltafel en zeker bij vasthouden bij/aan het halsvel) kan het lijken alsof het bijna is verdwenen. Er is dan in de buitenooghoek alleen nog een teveel oogwit zichtbaar.

Wat is er aan te doen?
Bij lichte afwijkingen kan meestal worden volstaan met spoelen en vit.-A na de wandeling, zeker zolang het hoofd nog niet is volgroeid. Als de kop is uitgegroeid en de situatie niet is verbeterd, kan worden geopereerd. Hierbij wordt de ooglidrand 5-10 mm ingekort en wat "opgehesen". Deze operaties vragen veel van het "timmermansoog" en dus een, op dit gebied, zeer ervaren chirurg.

 





Wat is de oorzaak?
ECT/TROS berust vrijwel zonder uitzondering op een polygeen overervende afwijking. Helaas wordt de afwijking door eigenaren en zelfs door sommige kynologen als normaal of zelfs gewenst beschouwd.
In rasstandaarden staan vaak aanwijzingen over het gewenste uiterlijk van een hond van het desbetreffende ras.

Hoe kan het worden voorkomen?
Honden die ECT/TROS vertonen dienen van de fokkerij te worden uitgesloten. Bij het fokken moet juist worden gestreefd naar goed aansluitende oogleden met een bijpassende lengte van de oogspleet, geen overmaat aan kophuid en niet te zware oren.



terug naar inhoudsopgave




Trichiasis (irritatie door eigen haargroei)

Wat is trichiasis?
Onder trichiasis wordt verstaan: zich op een normale plaats bevindende haren, die door een afwijkende stand de bindvliezen en/of het hoornvlies irriteren. Trichiasis komt vooral op twee plaatsen voor: n.l. op de neusplooi en bij buitendeel van het bovenooglid.

Wat zijn de verschijnselen?
Trichiasis neusplooi. Deze afwijking komt, in minder of meer ernstig mate, voor bij bijna alle Pekingezen en Shih Tzu's. Hierbij spelen de vorm van de voorsnuit en de ondiepe oogkassen een rol. Meestal komt de afwijking voor in combinatie met entropion van de binnenooghoek. De haren van de neusplooi veroorzaken een ernstige irritatie van de binnenhelft van het hoornvlies. De irritatie veroorzaakt traanvloed, dichtknijpen van de oogleden en hoornvliesdefecten. Uiteindelijk treedt littekenvorming en pigmentatie van het hoornvlies op. Bij de ernstige vormen kan een vrijwel centrale hoornvlieszweer ontstaan. Deze kan snel dieper worden en bij de minste opwinding doorbreken. Dit is zeer pijnlijk, waardoor de hond zal gillen en janken. Men denkt dan al snel dat het door een ruzie is gekomen, met b.v. een kat. Een dergelijk geval eindigt in het beste geval met blindheid door ernstige littekenvorming en vergroeiingen van de pupil met het hoornvlies, maar vaak met het verlies van het gehele oog. Trichiasis bovenooglid. Deze vorm komt speciaal voor bij rassen met een overmaat aan huid(plooien) op het voorhoofd, zoals bijvoorbeeld bij de Chow Chow en de Shar Pei en in combinatie met zware oren zoals bij de Bloed- of St. Hubertushond.
De haren op de plooien irriteren, bij de lidslag, het bindvlies van het onderooglid of erger nog, het bovenste deel van het hoornvlies. Bij voortgaande irritatie wordt de oogbol veelal wat teruggetrokken en wordt de situatie nog verergerd door entropion, dat wil zeggen het naar binnenrollen van de bovenooglidrand. Hierdoor treden ernstige hoornvlies beschadigingen op, gepaard gaande met veel pijn. Uiteindelijk treedt littekenvorming en pigmentatie op.

Wat is er aan te doen?
Neusplooi. Bij geringe ernst is enkele malen daags een druppel Vit-A-olie veelal voldoende. Dit geeft bescherming en houdt de neusplooiharen weg van de oogbol. Bij ernstiger vormen moet worden geopereerd. Ook het binnenooghoek entropion, en de te ruime oogspleet spelen mee. Voor dergelijke patiënten bestaat een speciale operatie, waarbij de binnenooghoek wordt veranderd en tevens de oogspleet wordt ingekort.
Bovenooglid trichiasis. Ook hier kan afscherming met vit-A zalf of olie worden geprobeerd, maar er moet meestal operatief worden ingegrepen. Alleen de verwijdering van de plooien op het voorhoofd of van een groot stuk kophuid tussen de ogen en oren (10-25 cm!), of alleen een entropion correctie, geven meestal onvoldoende resultaat. Vaak geven alleen speciaal hiervoor ontworpen operatietechnieken het gewenste resultaat.

 





Wat is de oorzaak?
Trichiasis is een polygeen overervende afwijking. Het streven naar ver uit elkaar liggende, uitpuilende oogbollen, een diepe stop, grote plooien met lange stijve haren er op of veel plooien en/of een overmaat aan kophuid werken deze afwijking in de hand. Helaas wordt de overmaat aan plooien vaak als normaal en door sommigen zelfs als gewenst beschouwd. In de rasstandaarden van de desbetreffende rassen staan een aantal aanwijzingen, die de afwijking eerder in de hand werken dan doen voorkomen.

Hoe kan het worden voorkomen?
Het verdient aanbeveling ook de ouderdieren en nestgenoten te controleren op de afwijking. Zeker de ernstige lijders dienen niet meer te worden gebruikt om mee te fokken. Aangezien de oogleden en de oogbol ongehinderd moeten kunnen functioneren, dient het streven naar een overmaat aan plooien en zware, grote, lange oren te worden verlaten. De rasstandaarden zouden dit streven behoren te ondersteunen. Wijzigingen in de rasstandaard kunnen echter alleen in het land van herkomst worden aangebracht.



terug naar inhoudsopgave




Distichiasis (haren op de ooglidrand)

Wat is distichiasis?
Distichiasis kan worden omschreven als enkele, een rij of meerdere rijen haren groeiende in de ooglidrand. Zij zijn nog iets verder naar binnen op de ooglidrand ingeplant, dan de wimpers bij de mens. Het zijn dus extra haren, want een hond of kat heeft geen wimperharen, zoals de mens.

Wat zijn de verschijnselen?
Indien deze haren het hoornvlies irriteren zijn natte oogleden, traanstreepvorming en hoornvliesirritatie te verwachten. De haartjes zijn zonder loep moeilijk zichtbaar. Het slijmpropje, dat zich vaak rond de basis van de haar, op de lidrand bevindt, is meestal wel goed zichtbaar.

Wat is er aan te doen?
De meest simpele therapie bestaat uit het regelmatig epileren van deze haren. Een bijkomend voordeel is, dat op deze wijze tevens eenvoudig kan worden vastgesteld of deze haartjes inderdaad de veroorzakers van de irritatie zijn geweest.
Om de haartjes definitief te verwijderen moeten de haarzakjes onder narcose worden weggebrand. Dit dient zeer nauwkeurig te gebeuren, omdat anders de ooglidrand wordt beschadigd of er littekenvorming optreedt. De prognose is gunstig. Wel kunnen haarzakjes of nog onzichtbaar zijn bij de eerste behandeling of worden overgeslagen.

 




Wat is de oorzaak?
Distichiasis wordt beschouwd als een erfelijke afwijking. De wijze van overerving is nog niet geheel opgehelderd, maar is waarschijnlijk polygeen.

Hoe kan het worden voorkomen?
Lijders die duidelijk last hebben van de haartjes dienen te worden uitgesloten van de fokkerij. Bij sommige rassen heeft de afwijking zich al zeer sterk door het ras verbreid. Bij dergelijke rassen zal men voorlopig niet veel anders kunnen doen dan bij de selectie honden met geringe distichiasis te gebruiken en dan nog zo min mogelijk.



terug naar inhoudsopgave






Glaucoom of groen staar (hoge oogdruk)

Wat is glaucoom?
Glaucoom of groene staar is een oogbeschadiging ten gevolge van een verhoogde druk in het oog. De verhoogde druk ontstaat bij de hond vrijwel altijd door een blokkade in de afvoer van het kamerwater uit het oog. Het kan berusten op een erfelijke afwijking (primair glaucoom), of het gevolg zijn van een andere oogafwijking, bijvoorbeeld het loslaten van de lens of van een ontsteking in het oog (secundair glaucoom).

Wat zijn de verschijnselen?
Er treedt plotseling (soms binnen een dag) of in het begin ook wel aanvalsgewijs een sterke drukverhoging in de oogbol op. Het oog doet pijn, de bindvliezen zijn rood dooraderd, het hoornvlies ziet "blauw" en de pupil staat wijd open en reageert niet meer op licht. Het netvlies kan niet meer functioneren door de hoge druk. Als er niet snel wordt ingegrepen is een dergelijk oog binnen circa één week definitief blind. Op de duur wordt de oogbol groter en de pijn blijft aanhouden.

Hoe en wanneer is glaucoom vast te stellen?
IS BIJ EEN HOND EEN OOG PLOTS "BLAUW" OF BLIND, DAN IS HET AAN TE BEVELEN HET OOG, OP ZEER KORTE TERMIJN, TE LATEN ONDERZOEKEN DOOR UW DIERENARTS EN BIJ (VERDENKING OP) EEN VERHOOGDE DRUK EEN BEHANDELING TE LATEN INSTELLEN. HET IS TEVENS AAN TE BEVELEN DE DRUK VAN HET OOG TE LATEN METEN.

Wat is er aan te doen?
De patiënt moet snel oogdruk verlagende medicijnen toegediend krijgen (tabletten diclofenamide en oogdruppel pilocarpine 2% of latanoprost). Meestal zal de patiënt door de eigen dierenarts worden doorgestuurd naar een specialist oogheelkunde voor definitieve diagnose en behandeling. Vaak zal ook een operatie (b.v. bevriezen, een drainage slangetje) nodig zijn. Helaas blijft de kans dat het oog behouden kan blijven nog steeds vrij gering.
Bij meer dan 50% van de patiënten wordt het desbetreffende oog uiteindelijk, ondanks de behandeling toch blind; bij circa een kwart blijft het oog pijnlijk, vooral bij stoten. In dergelijke gevallen is verwijdering van het aangetaste oog voor de patiënt een weldaad. Ook dieren waarbij een oncontroleerbaar beiderzijds glaucoom, beiderzijdse oogbol verwijdering noodzakelijk maakt, kunnen zich daarna, vrijwel zonder uitzondering, uitstekend redden. En dat dan zonder pijn!

 




Wat is de oorzaak?
Primair glaucoom berust vrijwel steeds op een erfelijk defect, dat recessief, of mogelijk soms ook polygeen kan overerven. Het percentage honden bij gepredisponeerde rassen (bijvoorbeeld Bassets, Bouvier Amerikaanse Cocker Spaniël, Husky, Entlebucher Sennenhund), dat de aanleg voor het blokkeren van het afvoersysteem bezit kan worden geschat op 10-20 %. Toch ontwikkelt zich echter slechts bij, ruw geschat, circa 0,5 % van deze dieren, daadwerkelijk glaucoom. Wat de laatste druppel is, die het oog doet overlopen is niet bekend.

Hoe kan het worden voorkomen?
Als de hond glaucoom vertoont aan één oog, moet ook het goede oog (met een speciale lens) worden onderzocht om vast te stellen om welke vorm het gaat. Betreft het de erfelijke vorm, dan verdient het aanbeveling dit oog ook alvast met een drukverlagende druppel te behandelen. Bovendien is regelmatige controle, het liefst dagelijks van belang. De druk in het oog wordt gecontroleerd door op de oogbol te drukken. Tevens wordt de pupilreactie gecontroleerd door met een fel lampje in het oog te schijnen en te kijken of de pupil dan kleiner wordt.
Honden met primair glaucoom moeten van de fokkerij worden uitgesloten. Ook directe familieleden kunnen beter niet worden gebruikt.



terug naar inhoudsopgave




Membrana pupillaris persistens (MPP; bloedvatrestjes van voor de geboorte)

Wat is MPP?
MPP is een vrij zelden voorkomende, aangeboren oogafwijking. Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de voorzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien.

Wat zijn de verschijnselen?
MPP komt in vele vormen voor. Bij de lichtste vormen blijven er kleine pigmentklontjes achter op de voorkant van de lens of tegen de binnenkant van het hoornvlies. Ook kunnen er zich draadjes bevinden op het oppervlak van de iris (regenboogvlies). Deze draadjes kunnen ook oversteken over de pupil of naar de voorkant van de lens of naar de binnenzijde van het hoornvlies. Er kan zelfs een soort spinnenweb in het oog van overblijven. Als de resten verbonden zijn met de binnenzijde van het hoornvlies kunnen zij daarin witte littekens veroorzaken. Het lijkt dan of de patiënt op pupleeftijd een beschadiging aan het oog heeft gekregen. Als de resten tegen de voorzijde van de lens blijven zitten, kunnen zij daar grauwe staar of cataract veroorzaken (zie verder). Soms gaat MPP ook gepaard met andere oogafwijkingen, zoals microphthalmie of netvliesafwijkingen.

 




Wat is er aan te doen?
Een behandeling is vrijwel nooit noodzakelijk. Een heel enkele keer is operatieve verwijdering nuttig.

Wat is de oorzaak?
MPP wordt veroorzaakt doordat, tijdens het laatste deel van de dracht, een stoornis in de afbraak van het embryonale vaatstelseltje aan de voorzijde van de lens optreedt. Bij een aantal rassen is de afwijking erfelijk bepaald.

Hoe kan het worden voorkomen?
Honden met ernstige vormen van MPP kunnen beter worden uitgesloten van de fokkerij. Bij sommige rassen heeft de afwijking zich al zeer sterk door het ras verbreid. Bij dergelijke rassen zal men voorlopig niet veel anders kunnen doen dan bij de selectie alleen honden met lichte vormen van MPP te gebruiken en dan nog zo min mogelijk.



terug naar inhoudsopgave






Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV)

Wat is PHTVL/PHPV?
PHTVL/PHPV is een, op zich, zeldzaam voorkomende, aangeboren oogafwijking. Bij een tweetal rassen is bewezen dat de afwijking erfelijk is bepaald. Binnen deze rassen kwam (voordat er tegen werd geselecteerd, zoals bij de Dobermann) de afwijking wel regelmatig voor.
Als gevolg van een storing in de ontwikkeling blijven er restjes achter van het embryonale lensvaatnetje dat voor de geboorte de achterzijde van de lens van voedingsstoffen moest voorzien. Er blijven minieme restjes (graad 1) van het lensvaatnetje, ook na de geboorte zitten. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) blijven er grotere delen achter en gaan zij tevens woekeren.

Wat zijn de verschijnselen?
Om aan te geven in welke vorm de hond de afwijking heeft, zijn gradaties aangebracht, nl.: Onbeslist, graad 1 en de ernstige vormen (graden 2-6). Bij "onbeslist" blijven minieme restjes van het vaatnetje, meestal alleen in één oog, achter op de achterzijde van de lens. Bij graad 1 zijn duidelijker restjes achtergebleven. Zij veranderen niet meer, veroorzaken geen veranderingen aan andere delen van het oog en beïnvloeden het gezichtsvermogen van de hond niet. Zij zijn uitsluitend te zien met behulp van een speciale microscoop. De ernstige vormen (graden 2-6), komen steeds in beide ogen voor. Er blijft een laagje gepigmenteerd, gewoekerd littekenweefsel met vaatresten tegen de achterkapsel van de lens zitten. Daarnaast kunnen de lenzen aan de achterzijde conisch (kegelvormig) zijn misvormd. Bij de ernstige vormen (graad 2-6) heeft het proces een slechte invloed op de lensinhoud, waardoor deze langzaam troebel wordt (cataract). Dit cataract kan reeds bij de geboorte aanwezig zijn, waardoor de pups direct al blind zijn. Het kan ook gedurende het leven langzaam in ernst toenemen. De weg van het licht naar het netvlies wordt daardoor steeds meer geblokkeerd, de hond kan steeds minder zien en wordt langzaam blind. De afwijkingen doen in ieder geval geen pijn. Soms zijn de pups al blind bij de geboorte en weten niet beter. Als ze geleidelijk blind worden hebben ze rustig de tijd om zich aan te passen. Zij zullen zich in een vreemde omgeving alleen wel vaker gaan stoten (zie inleiding: Onze hond is blind).

Wat is de oorzaak?
Door middel van fokproeven en stamboom-onderzoek kon worden aangetoond dat PHTVL/PHPV wordt veroorzaakt door een erfelijke stoornis in de ontwikkeling en de afbraak van het vaatstelseltje aan de achterzijde van de lens, tijdens het eerste deel van de dracht. De afwijkingen konden reeds worden vastgesteld bij vruchtjes op een leeftijd van 30 dagen na de dekking. De afwijking wordt het meest waarschijnlijk veroorzaakt door een niet geslachtsgebonden, niet compleet dominant overervende en in verschillende uitingsvormen voorkomende erffactor. Daarbij wordt tevens aangenomen dat de dieren die van de ene ouder de normale en van de andere ouder de afwijkende erffactoren krijgen (drager of heterozygoot) geen of graad 1 afwijkingen vertonen.

 





Wat is er aan te doen?
De ernstig afwijkende ogen (graad 2-6) zijn, als zij blind zijn, te opereren. De prognose van de operatie is dubieus (circa 50 %). Als de operatie geen verbetering geeft, blijft de hond blind. De meeste blinde honden kunnen zich echter uitermate goed redden met hun prima neus en oren. Sommige honden worden bang, schrikachtig en soms zelf agressief en daardoor gevaarlijk. In die gevallen blijft er bijna geen andere mogelijkheid over dan euthanasie.

Hoe kan het worden voorkomen?
Om al deze problemen te voorkomen is het veel beter om door fok- en controlemaatregelen te trachten het aantal ernstige gevallen terug te dringen. Pups kunnen al voordat ze naar de nieuwe eigenaar gaan, dus op jeugdige leeftijd (6-8 weken), maar wel na het chippen (of de tatoeage) worden gecontroleerd op de afwijking. Dit is dan weliswaar een voorlopige uitslag, omdat de oogjes dan nog erg klein zijn en daardoor soms zeer lichte afwijkingen over het hoofd kunnen worden gezien. Door de vroege controle wordt in ieder geval wel voorkomen dat pups met ernstige afwijkingen worden verkocht. Ernstig afwijkende dieren dienen te worden uitgesloten van de fokkerij. Ook hun directe familie (d.w.z. ouderdieren, maar ook nestgenoten) kunnen beter niet meer voor de fokkerij worden gebruikt. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dieren dit toelaat kunnen Graad 1 en "onbeslist" honden ook beter niet meer worden gebruikt. Gelukkig is door doelmatige bestrijding, het aantal dieren met de afwijking in de afgelopen jaren sterk terug gedrongen.



terug naar inhoudsopgave



Cataract of grauwe staar (abnormale troebeling van de lens)

Wat is grauwe staar?
Achter pupil en iris (regenboogvlies) bevindt zich de lens, waarmee het binnenkomende beeld wordt scherpgesteld op het netvlies. De lens behoort daartoe helder te zijn. De normale lens kent echter wel een verouderingsproces, waardoor de honden-/kattenlens vanaf circa 6-jarige leeftijd in het centrale deel een grauwe waas (sclerose) gaat vertonen. Dit is normaal en veroorzaakt géén blindheid.
Een abnormale troebeling van de lens en/of de lenskapsel wordt cataract of grauwe staar genoemd. De afwijking komt regelmatig voor, bij mens en dier. Cataracten kunnen aangeboren of verkregen zijn. De belangrijkste groep van de verkregen cataracten is die van de erfelijke vormen. Het komt ook voor dat het cataract het gevolg is van een andere ziekte. Het bekendste voorbeeld is suikerziekte. Vandaar dat het bij een patiënt met cataract van belang is te weten of deze veel drinkt en dat bij twijfel het bloedsuiker gehalte wordt bepaald. Cataract door suikerziekte verslechtert in het algemeen snel. De dieren kunnen dan binnen enkele weken blind zijn. Bij een aantal andere primaire oogafwijkingen (bijvoorbeeld retina degeneratie of progressieve retina atrofie [PRA]), kan cataract optreden als bijkomende afwijking. De patiënt wordt dan blind door de netvliesafwijkingen en niet door het cataract. Het operatief verwijderen van de lens is dan dus zinloos. Het is daarom van groot belang dat de patiënt waarbij grauwe staar of cataract begint, binnen enkele weken wordt onderzocht door een dierenarts, specialist in de oogheelkunde. Zijn de lenzen al totaal ondoorzichtig, dan is controle van de netvliezen niet meer op eenvoudige wijze mogelijk. Alleen een flitslicht onderzoek (ERG) en echografisch onderzoek geven dan nog betrouwbare informatie over de netvliezen.
Als een klein deel van de lens door cataract troebel is geworden kan het gezichtsvermogen nog redelijk goed zijn. Helaas breiden bijna alle vormen van cataract zich uit, totdat de lens geheel ondoorzichtig is geworden. Het dier registreert met dat oog dan nog wel licht en donker, maar ziet geen beeld meer (kijkt door matglas).
Grauwe staar of cataract is voor veel honden en katten geen onoverkomelijk probleem. Cataract doet geen pijn. Bovendien is het oog voor de meeste huisdieren een minder belangrijk zintuig dan voor bijvoorbeeld de mens. Honden en katten leven in een wereld van geuren en geluiden en van voelen. De ogen geven aanvullende informatie. Daarom kunnen huisdieren zich doorgaans ongelooflijk goed aan een verminderd gezichtsvermogen aanpassen. Slechtziende honden blaffen 's avonds soms wat sneller of zijn wat angstiger. Zelfs als zij geheel blind zijn, zullen zij het meubilair in huis prima blijven ontwijken en enthousiast blijven spelen. Ook met de bal en met de stok. Als ze plotseling blind worden hebben ze meestal enkele maanden nodig om zich aan te passen. Natuurlijk moet ook een blinde hond in het verkeer aan de lijn, en in het veld of bij zwemmen binnen gezichtsafstand blijven. In huis is het beter de mand zó te plaatsen, dat de hond bij wakker schrikken weet, dat hij achteruit weg kan. Een hond die zich bedreigd voelt kan gemakkelijk uit angst bijten, ook al is het een heel lieve hond! Als er kleine kinderen in de buurt zijn moet een blinde hond dus wakker blijven of buiten het bereik van de kinderen worden gehouden. Maar op zich is blindheid bij een huisdier geen reden voor euthanasie.

 

terug naar inhoudsopgave

Wat is er te doen aan cataract?
Het ontstaan en het verloop van grauwe staar zijn niet met medicijnen te remmen of te genezen. Wèl is een operatie mogelijk, waarbij de ondoorzichtige inhoud van de lens wordt verwijderd. Bij zo’n operatie zijn natuurlijk ook complicaties mogelijk. De kans op complicaties is circa 5-10 %, afhankelijk van het type cataract, type patiënt, al of geen kunstlensje etc. De kans dat het oog door de operatie verloren gaat door bijvoorbeeld glaucoom (groene staar, te hoge druk in het oog) of door een infectie is ca. 1%. De kans dat een verder gezonde patiënt overlijdt ten gevolge van de anesthesie (‘narcose’) is nog kleiner.
Of een patiënt met cataract voor lensextractie in aanmerking komt hangt af van de:
Conditie van de patiënt. Deze dient zodanig te zijn dat de patiënt de anesthesie goed kan doorstaan en dat er een goede levensverwachting is, zodat de patiënt er ook voldoende lang profijt van heeft. Bij zeer wilde of agressieve dieren neemt de kans op complicaties toe.
Conditie van het oog. Bij aanwijzingen voor andere ernstige oogafwijkingen is lensextractie meestal niet zinvol en slechts belastend voor patiënt en eigenaar.

Operatieve verwijdering van de lens of lensextractie
Voorbereiding:
Het is aan te bevelen de patiënt in de periode voorafgaande aan de operatie te laten wennen aan het dragen van een halskraag. Circa 4 dagen voorafgaand aan de operatie wordt het oog gedruppeld met een ontstekingsremmer en worden aan niet-suikerzieke dieren tevens ontstekingsremmende tabletten (prednisolon) toegediend. Voor de operatie moet de patiënt nuchter zijn (tenminste 8 uur), maar mag hij wel drinken. Aan een suikerpatiënt moet op de dag van de operatie 1/3 van de gebruikelijke hoeveelheid insuline worden toegediend.
Operatie:
Bij de operatie wordt vaak eerst een knipje gemaakt in de buitenooghoek, waarna de oogbol wordt geopend aan de rand van het hoornvlies. Daarna wordt het centrale deel van de voorste kapsel van de lens verwijderd. Vervolgens wordt de lenskern kapot getrild (phaco-emulsificatie) of uitgedrukt (afhankelijk van de hardheid) en worden de resten losgespoeld en weggezogen. Als de kapsel mooi intact, schoon en vooral helder is, kan hierin, indien gewenst, een kunstlensje worden geplaatst. Als de achterkapsel van de lens te troebel is, wordt ook daarvan het centrum uitgeknipt. Dat heeft wel het nadeel dat het glasvocht achter de lens vrij komt, hetgeen de kans op complicaties wat verhoogt. Een kunstlensje wordt dan in het algemeen niet meer ingebracht. Vervolgens wordt het oog gesloten met heel dunne, meestal niet oplosbare hechtingen. In het oog wordt meestal een luchtbelletje achtergelaten. Dat wordt na de operatie weer geresorbeerd. Een kunstlensje geeft een verdere verbetering van het gezichtsvermogen. De patiënt gaat in ieder geval sneller goed zien. Het maakt de operatie wel duurder (ca. € 100) en als er bijvoorbeeld nastaar in de achterste kapsel, dus achter de kunstlens ontstaat, is dat slecht te verwijderen. Deze nastaar kan soms wel worden "weggedampt" met behulp van een laser, maar een dergelijk apparaat is zeer kostbaar en in Nederland tot nu toe voor dieren niet beschikbaar.
Nabehandeling:
Als nabehandeling krijgt de patiënt antibiotische en ontstekingsremmende stoffen toegediend. Indien de achterste kapsel deels werd verwijderd of de lens in haar geheel, dus inclusief de kapsel moest worden verwijderd, wordt na de operatie getracht de pupil op een diameter van circa 2-5 mm te houden met behulp van een pupilvernauwende oogdruppel.
Circa 2 ½ week na de operatie wordt het oog gecontroleerd en worden de hechtingen (meestal) verwijderd. De patiënt moet de kraag daarna nog enkele dagen dragen en aan de lijn worden uitgelaten (katten binnen houden). Het oog wordt vervolgens nog 2-3 maanden gedruppeld met de ontstekingsremmer. Kostenschatting (prijspeil ‘02): De operatiekosten zijn ca. € 550.- indien er een kunstlensje wordt ingebracht, incl. BTW (zonder kunstlensje ca. € 450,-).




Lensluxatie (lens loslating)

Wat is lensluxatie?
Door het ontbreken of kapot gaan van haar ophangbandjes van, kan de lens loslaten en van haar plaats raken.

Wat zijn de verschijnselen
De losliggende lens kan zich verplaatsen naar achteren, richting netvlies, of naar voren, tot tegen het hoornvlies. De lens en/of het glasvocht kunnen hierbij de passage of de afvoer van het kamerwater uit het oog blokkeren met secundair glaucoom tot gevolg (zie glaucoom). Het vroegst herkenbare symptoom van lensluxatie vormt het weglekkende glasvocht, dat als zeer ijle witte wolkjes over de pupilrand, voor in het oog hangt. Dit is jammer genoeg meestal alleen met een spleetlampmicroscoop te ontdekken. Meestal was er eerst niets aan de hond te merken en breken plotseling (bijvoorbeeld als de hond zich ergens over opwindt) de laatste nog intacte ophangbandjes. Het oog is dan plots slechtziend of geheel blind. Als de lens zich verplaatst, komt een maanvormig "deel" vrij tussen de pupilrand en de lens. Dit is soms bij een bepaalde lichtinval te zien. Een enkele keer kan men iets zien wiebelen in het oog. Bevindt de lens zich geheel voor in het oog, dan is deze soms als een glazige schijf herkenbaar. De pupil is dan nauwelijks meer herkenbaar. Is reeds een te hoge oogdruk (glaucoom) opgetreden, dan zal het hoornvlies blauw worden. Het oog is dan ook pijnlijk en blind.

 

terug naar inhoudsopgave

Hoe en wanneer is lensluxatie vast te stellen?
IS BIJ EEN HOND (met name bij KLEINE TERRIËRS) EEN OOG PLOTS BLAUW OF BLIND, DAN IS HET AAN TE BEVELEN HET OOG, OP ZEER KORTE TERMIJN, TE LATEN ONDERZOEKEN DOOR UW DIERENARTS.
Om de vroegste vormen op te sporen moeten de ogen met een spleetlampmicroscoop worden gecontroleerd. Dit kan alleen bij een aantal dierenartsen die zich hierop hebben toegelegd en hiervoor ook zijn toegerust (zie laatste deel van de brochure).

Wat is er aan te doen?
Als de lens geheel los ligt moet de lens operatief uit het oog worden verwijderd. Bij de hond dient dit binnen enkele dagen te worden verricht. In de tussenperiode dient de patiënt al vast medicijnen te krijgen om de druk in het oog normaal te houden of te normaliseren. (zie Glaucoom). De dieren blijven na de operatie iets gehandicapt. Tafel- en stoelpoten, trappenlopen, kleinere sprongen etc. leveren echter geen problemen meer op. De oogdrukstijging is na de operatie meestal verdwenen; als het glaucoom toch terug komt is er wel een probleem. Zie verder bij glaucoom.

Wat is de oorzaak?
De ophangbandjes van de lens kunnen afwijkend zijn aangelegd, degenereren of bij uitzondering direct breken (zeer harde klap op de oogbol). Bij een aantal van de kleinere terriërrassen is de lensluxatie het gevolg van een erfelijk defect, dat meestal recessief overerft (Duitse jacht-, Tibetaanse-, Welsh-, Fox-, Jack Russel- en Dandie Dinmondterrier, Border collie, Shar Pei).

Hoe kan het worden voorkomen?
Honden met een lensluxatie dienen te worden uitgesloten van de fokkerij. Ook de ouderdieren kunnen beter niet meer voor de fok worden gebruikt. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dieren dit toelaat kunnen de broertjes en zusjes ook beter niet voor de fok worden ingezet. Dit daar er een sterk verhoogde kans is dat ook zij drager zullen zijn.




Collie eye anomaly (CEA)

Wat is CEA?
De Collie Eye (=oog) Anomaly (=aangeboren abnormaliteit) of CEA is een verzamelnaam van een groep aangeboren ontwikkelingsstoornissen van het netvlies/vaatvlies en de achterwand van het oog bij de Collies, de Shetland sheepdog, Australian Shepherd. De afwijkingen komen meestal beiderzijds voor, maar kunnen ook éénzijdig voorkomen. In Nederland heeft circa 20-40 % van de Collies en Shelties CEA.

Wat zijn de verschijnselen?
De lichtste afwijking kan bestaan uit een overmatige kronkeling van de netvliesvaten (tortuosity= TORT). Er bestaat enig verschil van mening over de vraag of Tort wel bij het CEA-syndroom behoort. Daarom worden alleen zeer uitgesproken vaatafwijkingen aangeduid als CEA.
De tweede vorm is de chorioretinale dysplasie (CRD), waarbij kleine gebiedjes netvlies-vaatvlies verkeerd zijn aangelegd. TORT en CRD geven geen duidelijke problemen met het gezichtsvermogen. Ook komen hierbij overgangsvormen voor, waarbij niet zeker is of de hond net wel of net niet als vrij van CEA moet worden beschouwd. Deze gevallen worden als onbeslist aangemerkt. Bij dergelijke dieren kan vooralsnog pas na een testkruising worden bepaald of zij inderdaad lijder zijn.
Het derde type afwijking bij CEA wordt gevormd door de sluitingsdefecten of colobomata (= Col). Een coloboma geeft alleen bij hoge uitzondering problemen met het gezichtsvermogen, zelfs als zij erg groot zijn en/of in de papil of blinde vlek liggen.
De ernstigste typen afwijkingen die horen bij CEA zijn de netvliesloslating (AR), bloedingen in het oog (IOB) en de onderontwikkelde oogzenuw (Hypoplastische papil of HP). Deze vormen hebben wel vrijwel steeds blindheid van het desbetreffende oog tot gevolg. Het is overigens niet geheel duidelijk of de hypoplastische papil inderdaad bij het CEA-syndroom behoort, of dat het een aparte afwijking is. De combinatie komt in ieder geval wel regelmatig voor.
CEA is in het algemeen niet progressief. De pups worden dus met één of twee blinde ogen geboren of niet. Alleen de netvliesloslating (AR) en de bloedingen in het oog (IOB) kunnen tijdens het verdere leven nog enigermate verslechteren. CEA veroorzaakt geen pijn voor de hond.

 

terug naar inhoudsopgave

Hoe en wanneer is CEA vast te stellen?
Bij de lichtste vormen kunnen deze plekjes bij de vorming van de reflectorlaag in het oog (7-8 ste week) worden afgedekt en daardoor weer aan het oog van de onderzoeker worden onttrokken. Dergelijke honden lijken daardoor later vrij van CEA, terwijl zij bij de nestcontrole niet vrij zouden hebben gekregen (zogenaamde "go normals"). In het kader van de bestrijding van CEA is het dan ook het beste de controle op de afwijking in de 6e levensweek te verrichten. Voor de vaststelling van de overige vormen van CEA is het beter als de oogbol volgroeid is.

Wat is er aan te doen?
Een therapie is onbekend.

Wat is de oorzaak?
CEA is een erfelijke afwijking, die een enkelvoudig, niet geslachtsgebonden, recessieve wijze van overerven zou vertonen. Toch lijkt het erop, dat er een zekere variatie in de expressie aanwezig is, waardoor het patroon van overerven wat minder simpel is dan bij de PRA-nachtblindheidsvorm.

Hoe kan CEA worden voorkomen?
Op zich laat CEA zich, verhoudingsgewijs, door fokmaatregelen goed bestrijden. Dit komt vooral doordat de CEA al op 6 weken leeftijd is vast te stellen. Hierdoor kan men direct gegevens over de erfelijke eigenschappen van de ouderhonden krijgen. Ook wordt maar een zeer beperkt percentage van de nakomelingen aan beide ogen blind, zelfs als het een kruising tussen een drager en een lijder aan CEA betreft. Hierdoor kan men zonder veel problemen testkruisingen doen en daarmee de CEA-dragers opsporen.
Ernstige lijders kunnen zeker beter worden uitgesloten van de fokkerij. Zij blijven echter vrijwel steeds als huishond geschikt. Dit vooral omdat men niet bang behoeft te zijn dat het oog alsnog slechter wordt en het percentage honden dat aan beide ogen blind is, is maar heel klein.
Honden met CEA kunnen beter worden uitgesloten van de fokkerij. Indien het aantal voor de fokkerij beschikbare dieren dit toelaat kunnen de ouderdieren en de broertjes en zusjes ook beter niet voor de fok worden ingezet.
Fokmaatregelen hebben aangetoond effectief te kunnen zijn. Zo werd in het Lake-district in de USA door voorlichting en fokmaatregelen het percentage aan CEA lijdende dieren, in 3 jaar tijd, teruggedrongen van 97% naar 59 % en men verkreeg betere showresultaten, doordat men meer ging letten op de nakomelingen dan op de ouderdieren zelf!






Retina (netvlies) degeneratie of Progressieve Retina Atrofie of PRA
Wat is Retina Dysplasie (RD) RD is een aangeboren en erfelijke netvlies-/vaatvliesafwijking, die kan variëren van, in de lichtste gevallen onbeduidende kleine locale plooitjes in de retina (netvlies), in de middenvorm met grotere plooien of locale loslatingen met later retinadegeneratie (verval), tot de ernstige vormen met grote plooien of totale retinaloslating.

Wat zijn de verschijnselen?
De vorm met de locale retina plooitjes veroorzaakt geen merkbare oogproblemen voor het dier. Deze vorm wordt als focale vorm aangemerkt op het rapport oogonderzoek formulier. Kleine plooitjes kunnen in de loop van de eerste levensmaanden soms nog verstrijken. Helaas zijn er ook gevallen bekend, waarbij zij pas na de eerste puppie screening moeten zijn ontstaan. Of deze gevallen ook onder de erfelijke vorm moeten worden geschaard, is nog niet duidelijk. De afwijking is bij een aantal rassen bekend (bijvoorbeeld: Am. C. Spaniël, Collies, Rottweiler, Beagle, Labrador Retriever, Noors boskat). De middelgradige of geografische vorm van RD kan gezichtsuitval van kleine gebiedjes van de retina veroorzaken. Dit is aan de hond echter vrijwel niet te merken. Pas in het eindstadium kunnen de honden verlies van gezichtsvermogen gaan vertonen. Deze vorm komt voor bijvoorbeeld bij de Engelse Springer Spaniël voor.
De ernstige of totale vorm met grote plooien of totale retinaloslating. Deze ernstig vorm is beschreven bij de Bedlington-, Sealyham-, en Yorkshire Terriër en de Labrador Retriever (bij dit laatste ras in combinatie met skelet afwijkingen). Hierbij worden, in het algemeen beiderzijdse, grote tot totale netvliesloslatingen gevonden, soms in combinatie met cataract en er treedt wel een ernstige vermindering van het gezichtsvermogen of totale blindheid op.

 

terug naar inhoudsopgave


Wat is er aan te doen?
In principe is retina-vastzetting door middel van "vastlaseren" of "vriezen" soms nog mogelijk. Dit is echter alleen zinvol als het netvlies nog niet geheel losligt.

Wat is de oorzaak?
De midden en de ernstige vorm van RD worden waarschijnlijk veroorzaakt door een autosomaal recessief overervend defect. De lichtste vorm zou recessief overerven, hierover is echter minder bekend.

Hoe kan het worden voorkomen?
Daar er bij de lichtste vorm vooralsnog geen afwijkingen in het gezichtsvermogen zijn geconstateerd, worden in het algemeen geen fokbeperkingen geadviseerd, behalve bij rassen waarbij de ernstiger vormen ook bekend zijn. De gevallen worden echter altijd wel geregistreerd. Dieren met de midden-, of geografische vorm van RD en zeker die met de ernstige vorm kunnen beter van de fokkerij worden uitgesloten. Ook directe familieleden kunnen beter niet worden gebruikt.






































foto 1


foto 2


foto 3


foto 4


foto 5


foto 6


foto 7


foto 8


foto 9

 


foto 10


foto 11


foto 12


foto 13


foto 14


foto 15


terug naar inhoudsopgave

 


Nieuws

Hoe kunt u ons bereiken? Telefonisch via                0317-419120        , per fax via 0317-420480 of via de mail. Lees AUB wel de info in het stukje onder contact voordat u ons mailt.

Vakantie: Drs. Zandvliet is in de periode van 4 september tot en met 31 december afwezig. IVM een cursus in de radiotherapie verblijft hij in het buitenland. De eerste week van september is dr. mandigers afwezig. Dit in verband met het jaarlijkse Europese internisten congres waarvan hij de voorzitter is. 

Videoclip over de kliniek:

 

Webdesign: Impres